Nederland:   VOC; rampjaar 1672 (radeloos-redeloos-reddeloos); eerste stadhouderloze tijdperk; Engelse oorlogen; ontdekkingsreizen; Gouden Eeuw; de Ruijter; Rembrandt; Stevin;

Zaandam:   opkomst windmolens; Oost- en Westzaandam gescheiden; nieuwe stenen schutsluis in de Dam; tsaar Peter op bezoek; schepen via overtoom over de Dam; 

Wat weten we over Claes, Claas, Klaes en/of Klaas Kan? De eerste melding over onze familie Kan komt niet uit Oostzaandam maar uit Loenen aan de Vecht. Het is een melding in een doopboek:

Heden den 6 Novem.(1686) Is gedoopt Neeltje Dochter Van Klaes klaese Kan en Geertruid fijken woonachtig tot Sardam als getuigen stonden Cornelis Gerritse Ploos en aefje Dirx zijn Huisvr.”

Door deze doop weten we dat Klaes Kan in Zaandam woonde en dat hij getrouwd was met Geertruijd Fijken. De toevoeging Fijken is een patroniem en verwijst naar de naam van Geertruids vader: Fijke.

Dat patroniem, maar dan in de mannelijke vorm, Fijkesz(oon) zien we ook in een notariële akte uit 1716. Ene Antje Klaas laat, gesteund door twee getuigen, notarieel vastleggen dat Klaas Klaaszoon Kan haar vader is en dat deze Klaas “een Swager (is) van eene Dirk fijkesz de Vries, welke na haer beste geweeten in den jaare 1710 voor opper-timmerman na oostindien is gevaaren ende daar overleden soude sijn”.

Dat laatste klopt. Deze Dirk Fijkesz de Vries, die volgens de akte de oom van Antje Klaas Kan zou moeten zijn ging naar de Oost en overleed op zaterdag 7 april 1714 in Batavia (Jakarta). Dirk had in 1701 Oostzaandam verlaten en was (terug?) gegaan naar Friesland naar Balk. In 1711 trad hij in dienst van de VOC en volgens het soldijboek van de VOC vertrok Dirk op 11 januari van dat jaar naar de Oost op het schip de Donkervliet. Op het moment dat hij overleed stond er een bedrag van 945 gulden op zijn rekening. Dat was in die tijd een fors bedrag dat volgens de website van het Instituut voor Sociale Geschiedenis nu een koopkracht zou hebben van ruim 10.000 Euro. Op de pagina in het administratieboek van de VOC waarop Dirks inkomsten en uitgaven werden bijgehouden, is te zien dat dat geld werd verdeeld onder een groep mensen, waaronder Joost Janse Gruijs en Annetie Claase Can en dat is waarschijnlijk de reden dat Antje naar de notaris ging om officieel vast te laten leggen dat zij het nichtje was van Dirk Fijkesz. Toen Dirk in Oostzaandam woonde gebruikte hij de achternaam ‘de Vries’. In het soldijboek van de VOC staat de achternaam ‘Balk’ geregistreerd. Kennelijk vond Dirk de achternaam ‘de (F)Vries’ niet meer zo passen in een Friese omgeving.

Antje woonde eerst in Oostzaandam, maar volgens de kerkboeken van de kerk in dat dorp vertrok Antje op 10 juni 1721 samen met haar man Joost Janse Gruijs en haar kinderen Neeltje en Cornelis van het Seyltje (buurtje in Oostzaandam) naar Amsterdam. In de doopboeken van de Oosterkerk in die stad vinden we de doop van nog twee kinderen van Antje en Joost: “Den 15 Dito (februari 1722) gedoopt van Ds Houthof Klaas Jooste O (ouders) Joost Jansz Gruijs Antie Klaes Kannes g (getuigen) Jan Klaas Kan Geertie Fijkes” en op 30 mei 1723 door dominee Wilhelmus Vonk gedoopt: Klaas (de eerste Klaas was waarschijnlijk overleden). Ook dan zijn de getuigen Jan Klaaszoon Kan en Geertie Fijkes.

Hier zien we weer de naam van Geertruid (Geertje) en Fijke(n)s terugkomen. In de boeken van de kerkenraad van Oostzaandam staat beschreven dat Dirk Fijkesz belijdenis deed op 23 december 1696. Ook Geertje Fijkes doet haar belijdenis op die dag. De overeenkomende namen en de gelijke datum van de belijdenis maken het aannemelijk dat Dirk en Geertje broer en zus zijn. Als Dirk Fijkesz de zwager is van Klaas Kan (zoals in de notariële akte van 1716 wordt aangegeven), dan is Dirks zus, Geertje, de vrouw van diezelfde Klaas en dezelfde die op 6 november 1686 in Loenen haar dochter Neeltje liet dopen.

Bij de hierboven genoemde doop van de kinderen van Antje Kan en Joost Gruijs in de Oosterkerk zien we dat Geertje Fijkes samen met Jan Klaasz Kan als getuigen worden genoemd. Door de akte uit 1716 is bekend dat Antje een dochter is van Klaas Klaasz Kan en Geertje Fijkes de Vries. Het is aannemelijk dat deze Jan Klaasz Kan de broer is van Antje en dezelfde Jan die trouwde met Jobje Trommels en dus degene die we met meer bewijsmateriaal kunnen koppelen aan de families Kan van vandaag. Antje liet dus haar moeder en broer overkomen uit Oostzaandam om te getuigen bij de doop van haar kinderen. De naamgeving van de kinderen van Jan Klaasz in zijn beide huwelijken ondersteunt het idee dat Jan en Antje broer en zus zijn. Ouders hanteerden in deze tijd namelijk een strak schema bij de naamgeving van hun kinderen. De oudste zoon kreeg de naam van opa aan vaders kant en de oudste dochter kreeg de naam van oma aan moeders kant. In het geval van Jan Klaasz Kan heette de oudste zoon: Klaas en de oudste dochter: Geertje. Een extra aanwijzing dat Geertje Fijkes de Vries de moeder was van Jan Klaaszoon Kan.

Uit het voorgaande valt af te leiden dat Neeltje en Antje dochters zijn van Klaas Kan en Geertruid de Vries en dat Jan hun zoon was. Er is echter nog een dochter. In een testament van 16 januari 1750 verklaart Grietje Klaas Kan dat zij: “uijt overdenkinge van hare sterffelijkheijt en naa Christelijke recommandatie van hare ziel en lighaam, genegen te weesen omme van hare tijdelijke goederen te disponeeren” en na te laten aan haar broer: Jan Klaasz Kan. Opvallend is verder dat bij de belijdenis van Grietje in 1722 (Jan Klaaszoon doet belijdenis op dezelfde dag) ook het adres Molepad genoemd wordt.

Dan blijft nog over de vermelding van de belijdenis van Klaas Klaasz Kan op 30 juni 1697. Gelet op de datum van de belijdenis van moeder Geertje (23 december 1696) en bij beiden de vermelding “op/van het Molepad” gaat het in dit geval waarschijnlijk om de echtgenoot van Geertje Fijkes en dus de vader van Jan Klaaszoon.

Dit is een fragment uit een notariële akte van 1 maart 1689. Op de derde en vierde regel staat: “tot Plijmuijd in het koninckrijk van Engelant”. Deze akte vertelt het verhaal van een Claas Claaszoon Kan, die in januari van het jaar 1689 als stuurman op een fluitschip naar Engeland voer. Claas woonde in Oostzaandam en was 32 jaar oud. Claas had het bevel over het schip moeten overnemen, omdat de schipper was overleden. Onder zijn bevel was het schip de haven van “Plijmuijd” (Plymouth) binnengelopen vanwege “een groote ancomende ijsgang”. In de monding van de haven voor anker liggende werd het schip alsnog door het ijs bedreigd en was men genoodzaakt de ankerketting te kappen en het anker achter te laten.

Omdat de eigenaar van het schip het verlies van het anker officieel wilde laten vastleggen, kwamen Claas en twee van zijn collega’s op 1 maart 1689 bij notaris Johan van der Struijck. Scheepseigenaren hadden vaak onderling een verzekering geregeld en reder Claas Beijker kon met deze notariële akte waarschijnlijk de kosten van de aanschaf van een nieuw anker bij de verzekering terugvragen.

“naar de Canarisse IJlande” 

Teksten uit de zeventiende eeuw zijn moeilijk te ontcijferen en dat geldt zeker voor de akte waaruit het fragment hierboven afkomstig is (8 juli 1693). Met enige moeite is op de laatste regel de tekst “naar de Canarisse IJlande” te ontcijferen. De Claas Claaszoon Kan uit deze akte is 37 jaar oud en, dit keer als schipper,  samen met vier schepen van de Verenigde Oost-Indische en twee schepen van de West-Indische Compagnie vanuit de omgeving van Texel vertrokkenen naar deze eilandengroep. Men vaart “in compagnie” (in een groep) en maakt een lange omweg rond de noordkant van Schotland om de Duinkerker kapers te ontwijken. Helaas verliest Claas door een storm het contact met de andere schepen en moet hij alleen verder. Hij wordt ter hoogte van de Franse kust alsnog aangevallen door een kaperschip uit Saint-Malôt. Schip en lading worden beschadigd. Claas legt op 8 juli 1693 verantwoording af bij notaris Daniel Luijts in Oostzaandam.

Dat het in deze twee akten om dezelfde Claes gaat is natuurlijk niet zeker, maar in beide documenten wordt Oostzaandam als woonplaats genoemd en als Claes jarig was tussen 1 maart en 8 juli (de data van de akten), klopt ook de leeftijd. Het is natuurlijk mogelijk dat er twee even oude Claes Claeszoons Kan in Oostzaandam woonden die alle twee zeeman waren, maar aangezien er in de kerkelijke archieven van een paar jaar later maar één familie Kan voorkomt en er dus sprake is van een kleine familie, is dat niet waarschijnlijk. Ook is het mogelijk dat deze zeelieden dezelfde zijn als de Klaes die, samen met zijn vrouw Geertruijd, op 6 november 1686 in de Kerk in Loenen aan de Vecht zijn dochter Neeltje liet dopen. De naam wordt weliswaar anders gespeld, maar de leeftijd kan kloppen. De Klaas die in 1689 een anker verliest bij Plymouth is dan 32 jaar oud en dus geboren in 1657. Klaes van dochter Neeltje zou dan bij haar doop 29 jaar oud geweest zijn en dat is goed mogelijk. Bovendien: Wat deden Klaes en Geertruid in Loenen aan de Vecht? Was Klaas misschien schipper op een binnenvaartschip en stapte hij later over naar de grote vaart? Niet onmogelijk!