Op de oostelijke Zaanoever werd rond 1656 Klaas Klaaszoon Kan geboren. Er zijn geen doopboeken bewaard gebleven die zijn doop vermelden en ook zijn huwelijk met Geertruid Fijkes vinden we nergens terug. Toch is er voldoende informatie beschikbaar om te bewijzen dat hij en zijn vrouw, Geertruid (Geertje), aan het begin staan van de stamboom van de familie Kan. Hoe weten we dat?

Welke informatie hebben we? Wonderlijk genoeg komt de eerste melding over onze familie Kan niet uit Oostzaandam maar uit Loenen aan de Vecht. Het is een melding in een doopboek:

“Heden den 6 Novem.(1686) Is gedoopt Neeltje Dochter Van Klaes klaese Kan en Geertruid fijken woonachtig tot Sardam als getuigen stonden Cornelis Gerritse Ploos en aefje Dirx zijn Huisvr.”

Door deze doop weten we dat Klaas Kan in Zaandam woonde en dat hij getrouwd was met Geertruijd Fijken. De toevoeging Fijken (op andere plekken ook: Fijkes)is een patroniem en verwijst naar de naam van Geertruids vader: Fijke.

Dat patroniem, Fijkesz, zien we ook in een notariële akte uit 1716. Ene Antje Klaas laat, gesteund door twee getuigen, notarieel vastleggen dat Klaas Klaaszoon Kan haar vader is en dat deze Klaas “een Swager (is) van eene Dirk fijkesz de Vries, welke na haer beste geweeten in den jaare 1710 voor opper-timmerman na oostindien is gevaaren ende daar overleden soude sijn”. (Voor het waarom van het bezoek aan de notaris zie het verhaal: “Antje Kan en de erfenis van Dirk Fijkesz)

Antje woonde eerst in Oostzaandam, maar volgens de kerkboeken van de kerk in dat dorp vertrok ze op 10 juni 1721 samen met haar man, Joost Janse Gruijs en haar kinderen Neeltje en Cornelis van het Seyltje (buurtje in Oostzaandam) naar Amsterdam. In de doopboeken van de Oosterkerk in die stad vinden we de doop van nog twee kinderen van Antje en Joost: “Den 15 Dito (februari 1722) gedoopt van Ds Houthof Klaas Jooste O (ouders) Joost Jansz Gruijs Antie Klaes Kannes g (getuigen) Jan Klaas Kan Geertie Fijkes” en op 30 mei 1723 door dominee Wilhelmus Vonk gedoopt: Klaas (de eerste Klaas was kennelijk overleden). Ook dan zijn de getuigen Jan Klaaszoon Kan en Geertie Fijkes.

Hier zien we weer de naam van Geertruid (Geertje) en Fijke(n)s terugkomen. In de boeken van de kerkenraad van Oostzaandam staat beschreven dat Dirk Fijkesz belijdenis deed op 23 december 1696. Ook Geertje Fijkes doet haar belijdenis op die dag. De overeenkomende namen en de gelijke datum van de belijdenis maken het aannemelijk dat Dirk en Geertje broer en zus zijn. Als Dirk Fijkesz de zwager is van Klaas Kan (zoals in de notariële akte van 1716 wordt aangegeven), dan is Dirks zus, Geertje, de vrouw van diezelfde Klaas en dezelfde die op 6 november 1686 in Loenen haar dochter Neeltje liet dopen.

Bij de hierboven genoemde doop van de kinderen van Antje Kan en Joost Gruijs in de Oosterkerk zien we dat Geertje Fijkes samen met Jan Klaasz Kan als getuigen worden genoemd. Door de akte uit 1716 is bekend dat Antje een dochter is van Klaas Klaasz Kan en Geertje Fijkes de Vries. Het is aannemelijk dat deze Jan Klaasz Kan de broer is van Antje en dezelfde Jan waarvan we door middel van doop-, trouw- en begraafboeken kunnen bewijzen dat hij trouwde met Jobje Trommels en een voorouder is van de families Kan van vandaag.

Antje liet dus haar moeder en broer overkomen uit Oostzaandam om te getuigen bij de doop van haar kinderen. De naamgeving van de kinderen van Jan Klaasz in zijn beide huwelijken ondersteunt het idee dat Jan en Antje broer en zus zijn. Ouders hanteerden in deze tijd namelijk een strak schema bij de naamgeving van hun kinderen. De oudste zoon kreeg de naam van opa aan vaders kant en de oudste dochter kreeg de naam van oma aan moeders kant. In het geval van Jan Klaasz Kan heette de oudste zoon (uit zijn eerste huwelijk met Trijntje Barkhout): Klaas en de oudste dochter: Geertje. Een extra aanwijzing dat Geertje Fijkes de Vries de moeder was van Jan Klaaszoon Kan.

Uit het voorgaande valt af te leiden dat Neeltje en Antje dochters zijn van Klaas Kan en Geertruid Fijkes en dat Jan hun zoon was. Er is echter nog een dochter. In een testament van 16 januari 1750 verklaart Grietje Klaas Kan dat zij: “uijt overdenkinge van hare sterffelijkheijt en naa Christelijke recommandatie van hare ziel en lighaam, genegen te weesen omme van hare tijdelijke goederen te disponeeren” en na te laten aan haar broer: Jan Klaasz Kan. Opvallend is verder dat bij de belijdenis van Grietje in 1722 (Jan Klaaszoon doet belijdenis op dezelfde dag) ook het adres Molepad genoemd wordt.

Dan blijft nog over de vermelding van de belijdenis van Klaas Klaasz Kan op 30 juni 1697 (afb. hierboven). Hoogstwaarschijnlijk is deze Klaas ook een zoon van Klaas en Geertrui. Vanwege de hierboven al genoemde vernoemingsregels is het logisch te veronderstellen dat Klaas en Geertrui een zoon hadden die Klaas heette, vernoemd naar zowel vader als opa. Een belijdenis vond meestal plaats na de achttiende verjaardag en deze Klaas is dan rond 1679 geboren. Vader Klaas werd geboren in 1656 (zie voor de verklaring daarvoor het verhaal: De ongelukkige reis van Klaes Kan) en was dus drieëntwintig bij de geboorte van de jonge Klaas. Voor zover we nu weten hadden Klaas en Geertrui dus vijf kinderen: Klaas, Neeltje, Antje, Grietje en Jan.